De grens voorbij

Bla bla

Posted in Uncategorized | Leave a comment

De OB als proxyserver

De OB als proxyserver

Ik heb me in de discussie over de rol van de OB in het digitale tijdperk vaak –net als velen– afgevraagd of er voor die OB een rol is weggelegd en zo ja: welke? Ik deel de mening dat het belachelijk is dat mensen naar de OB zouden (willen) komen om een e-book te downloaden: dat kan thuis, in het weekeinde, vanuit de caravan allemaal veel makkelijker. Als Amazon daarom boeken via de Kindle uitleent, zie ik dat niet als een concurrent van de OB, maar juist als een alternatief naast de OB. 

Steeds probeer ik na te denken over de opdracht die openbare bibliotheken hebben en hoe ik er ook naar kijk: dat is niet het uitlenen van boeken. Het is veel eerder “het op transparante en waardevrije manier toegang verschaffen tot informatie”. In het print-tijdperk was het gevolg van deze opdracht dat er boeken werden uitgeleend, nu is dat niet meer nodig.

De opdracht zoals hierboven geformuleerd geeft meteen aan waar ik de meerwaarde van de OB  dan wel zie: “transparant en waardevrij”. Openbare bibliotheken zijn de plekken in de wereld waar burgers informatie kunnen verkrijgen zonder dat anderen dat hoeven te weten: anonimiteit van onze gebruikers en vooral van wat ze gelezen hebben, is een schoon goed dat we in meer dan 100 jaar openbaar bibliotheekwerk altijd hebben gekoesterd. Uit de OB geschiedenis kennen we gevallen waar de politie het leesgedrag van bepaalde burgers na wilde gaan en de bibliothecaris zich daartegen met hand en tand verzette. Dat is van belang geweest voor mensen die in de koude oorlog periode informatie over het communisme wilden lezen, jonge meisjes die abortus overwegen, milieuactivisten, illegalen die zich willen oriënteren op het verkrijgen van een verblijfsvergunning,  jongens die hun homoseksualiteit ontdekken, werknemers die werkeloos dreigen te worden: kortom voor heel veel minderheden.  Dat is die veilige plek die de OB wil zijn.

Als de OB er in zou slagen om met uitgevers tot overeenstemming te komen over die rol, dan is er –in ieder geval voor een deel van de burgers– een belangrijke rol weggelegd. De OB zou informatie zo aan de burgers moeten aanbieden dat de uitgever alleen maar kan zien dat die betreffende OB (of in Nederlandse termen misschien wel “een Nederlandse OB”  als we de dienst via de NBC gaan aanbieden) het boek of artikel heeft gelezen, maar niet kan achterhalen wie de individuele lezer is geweest. Lezers worden zo verlost van het idee dat big brother meeleest, krijgen geen op hen gerichte advertenties gepresenteerd tijdens het lezen of lastig gevallen met “wie dit leest, kocht ook …”. 

Hiermee kan de OB meteen ook een tweede rol goed spelen: het aanbieden van informatie aan minder bedeelden. Want het is de OB die de rechten afkoopt, de uitgever weet niet wie ervan gebruikmaakt. De OB kan nu in haar tariefstructuur ervoor zorgen dat de sterkste schouders de zwaarste lasten gaan dragen.

Hierboven vermeldde ik al even de mogelijke rol van de NBC: mijns inziens kan deze opzet alleen maar slagen als er landelijk contracten worden gesloten tussen het OB veld en de uitgevers: dat zal de rol van de NBC kunnen zijn. Maar de diensten dienen lokaal te worden aangeboden: de vertrouwensrelatie (transparant en waardevrij) ontstaat vooral tussen twee mensen en vaak ook nog in een bijzondere fysieke lokatie. De lokale OB vervult die rol beter dan een landelijk apparaat (want probeer maar eens uit te leggen dat de NBC wel en Amazon niet is te vertrouwen): de intermediaire rol van de bibliothecaris (steward in a digital context blijft mijn favoriete definitie) wordt weer van groot belang.

Je zou nog een stap verder kunnen gaan als het gaat over waardevrij en transparant aanbieden van informatie. De OB zou zich moeten aanbieden als de plek waar burgers waardevrij het internet op kunnen: pc’s worden continue schoongemaakt, nemen iedere keer een andere identiteit aan, cookies worden constant verwijderd etc. Alle OB pc’s in Nederland zouden via een centrale gateway contact kunnen maken met het internet, maar niet individueel naar buiten bekend kunnen zijn. De OB zou zich erin kunnen bekwamen om de filterbubble tenminste gedeeltelijk te doorbreken, door een zoekmachine aan te bieden die zoekresultaten van Google, Bing, Yahoo en anderen combineert. Het zou  natuurlijk nog veel mooier zijn als de Nederlandse OB wereld een eigen zoekmachine, maar vooral ook eigen indexen zou opbouwen, maar dat lijkt me een brug te ver. Dat betekent dat we niet ‘transparant’  kunnen zijn aangaande de presentatie en volgorde van de zoekresultaten, maar we kunnen de gebruiker wel vertellen waarom we doen wat we doen.

Minderheden (in welke vorm dan ook) zullen deze dienstverlening waarderen, en minderheden zijn per definitie de doelgroepen van de OB. En de som van de minderheden is groter dan het totaal aantal inwoners van een dorp of wijk.

Deze post is tevens een reactie op: http://www.bibliofuture.nl/?p=629

Posted in Uncategorized | Tagged | 4 Comments

Eli Pariser: Beware online “filter bubbles”

An interesting presentation about the ways Google, Yahoo, Facebook and all other search engines filter the results of your searches to “best fit your needs”?

Speaker

 

 
http://video.ted.com/assets/player/swf/EmbedPlayer.swf

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Zonder titel

Zonder titel

Ik wil vandaag proberen aan te tonen dat wij door onze gebruikers goed te leren kennen, als informatiedienstverlener kwalitatieve impact kunnen hebben op onze omgeving.

Mijn presetnatie heet: Zonder titel

De presentatie kunt u terugvinden op Slideshare: http://www.slideshare.net/wesselim/zonder-titel-door-michel-wesseling

Kunt u zich dat voorstellen? Een bibliotheek of beter nog alleen nog maar bibliotheken zonder titels? Over 24 maanden zullen we in deze situatie terecht zijn gekomen dankzij de streaming media: u kent het wel, luisteren naar muziek via Spotify of LastFM of filmpjes bekijken via YouTube en natuurlijk niet te vergeten nog even de aflevering van De Wereld Draait Door van gisteren terugzien via Uitzending gemist. En dan: boeken lezen op die ouderwetse manier via een format dat alleen op de Kindle werkt? Nee hoor: het kan toch eigenlijk niet anders meer dan dat ook boeken straks vooral nog via de stream op onze tablet pc’s verschijnen en dat we een abonnement op Google books, Amazon of andere supplier nemen zodat we altijd en overal toegang hebben tot alle publicaties uit de moderne en klassieke wereld literatuur?

Lijkt u dat niet een prachtige wereld? Eindelijk verlost van het juk van het gedrukte woord dat ons door Gutenberg, Coster of Martens rond het midden van de 15e eeuw is opgelegd? Eindelijk geen enkele beperking meer om hier en nu het boek van mijn keuze op mijn tablet te laden en te lezen? Heerlijk! En o ja: ook nog in lettertype, lettergrootte en bladspiegel zoals ik dat wil.

Stelt u zich eens voor wat dit voor ons, de informatieprofessionals betekent. Een bibliotheek zonder boeken maar met mensen: mensen met wie wij samenwerken aan onze opdracht: de juiste informatie voorzien op het juiste moment.

Realiseert u zich hoeveel tijd wij als informatieprofessionals verdoen met gerommel rondom die fysieke boeken? Vanaf nu zijn boeken nooit meer uitverkocht, want altijd via servers beschikbaar: dat betekent dat we geen inspanning meer hoeven te doen om collectieprofielen op te stellen, boeken per titel aan te schaffen, deze zo aan te passen (catalogiseren, etiketjes, dure RFID systemen, uitleensysteem, kasten) dat ze aan mensen kunnen worden uitgeleend (en weer teruggehaald, met kleine vervelende boetedingetjes enzovoorts) en als je in een openbare bibliotheek werkt: afschrijfbeleid formuleren en uitvoeren? Dat is allemaal straks niet meer nodig in de bibliotheek zonder titels. En omdat dit al heel snel realiteit zal zijn, zou ik zeggen: laten we er nu alvast maar mee beginnen met die veranderingen.

Is dat een leuk vak: bibliotheken zonder boeken, maar met mensen?
Toen ik in de zeventiger jaren voor het vak koos, was mijn belangrijkste drijfveer om mensen gelukkig te maken door ze aan goede informatie te helpen. Op de toenmalige bibliotheekacademie was ik een uitzondering: veel medestudenten hadden er lol in om alles te weten te komen over verschillende genres literatuur of ze leerden het SISO of UDC uit hun hoofd. Zij opteerden vooral voor carrières als catalogus medewerker of aan de uitleenbalie. Mijn interesse ging veel meer uit naar wat we toen noemden het inlichtingen interview en het inrichten van een goede publiekscatalogus. Ik was dus bij de eerste automatiseringsgolf al meteen enthousiast over de nieuwe mogelijkheden die dat aan de gebruiker zou gaan bieden en vooral ook over de besparingen die in het verschiet lagen bij in mijn ogen overbodige administratieve handelingen rondom het uitleenproces en catalogisering. De GGC: elke titel nog maar één keer catalogiseren voor alle bibliotheken in het hele land! Geen dubbel werk meer, maar profiteren van het werk dat anderen al voor je hebben gedaan.
En dan tijd besteden aan het inlichtingenwerk: echte mensen helpen, één op één.

Onze opdrachtgever: de gebruiker
Wij ontvangen onze opdracht van de burgers (OB), de professionals (SB) en onderwijs en onderzoek (school- en universiteitsbibliotheken). Maar kennen we die opdrachtgever eigenlijk wel?
Heeft u wel eens een huis laten bouwen? De architect besteedt in dat geval vele uren met u om erachter te komen wie u bent: niet in algemene termen maar heel specifiek. Hij wil uw individuele wensen leren kennen, zodat hij –in zijn stijl– uw nieuwe huis kan bouwen.
Doen wij dat ook met onze opdrachtgevers? Kennen we onze klanten: niet als groepen, maar individueel?

Toen ik in 1993 de KB verliet was het internet en daarmee de “virtual library” in opkomst. In KB Centraal schreef ik indertijd een artikel, waarin ik probeerde uit te leggen wat volgens mij de virtuele bibliotheek in zou gaan houden. De gangbare definitie: Een bibliotheek zonder muren met toegang tot alle informatie voor iedereen.
Mijns inziens klopte dit niet: dat was veel meer de definitie van het internet. De virtuele bibliotheek onderscheidt zich juist door “selectie”. Geen selectie van informatie vooraf (zoals in de traditionele biblioteek) maar achteraf: gebaseerd op de individuele vraag, op een gegeven moment in de tijd, gesteld door een persoon die we kennen in een bepaalde situatie. Het verschil tussen het internet en de virtuele bibliotheek was mijns inziens de informatie professional, de “steward in a digital context”, hij die zijn opdrachtgevers individueel kent en begeleidt.

Als we erkennen dat de nieuwe informatieprofessional het verschil kan maken als hij zijn opdrachtgever uit en tena kent dan zullen we dus onze energie erin willen stoppen om onze gebruikers in kaart te brengen: wie zijn onze klanten, wat zijn hun individuele wensen, waar houden ze zich mee bezig, waaraan hebben ze behoefte?

Onze gebruikers individueel en als groepen leren kennen, dat is het devies: in kaart brengen zoals commerciele partijen dat doen in customer relations systemen, maar meer en vooral ook bij die gebruiker “op schoot” zitten: aanwezig zijn in hun fysieke en virtuele werkelijkheden:
voor speciale bibliotheken betekent dit aanwezig zijn in vergaderingen waar besluiten worden genomen over de toekomst van de onderneming, mensen op hun werkplek leren kennen en de dialoog aangaan.
In de school en universiteitsbibliotheek is dat ook duidelijk: weten welke onderzoeksgebieden aktueel zijn, het onderwijs goed kennen en betrokken zijn.
In de openbare bibliotheek is het veel moeilijker: het is onmogelijk om alle burgers van Maastricht te kennen. We kunnen gegevens bijhouden en we kunnen ze volgen op Facebook of Twitter, maar (her-) kennen we ze als ze voor ons staan?

Daarom zal de OB meer nog dan de andere twee typen bibliotheken keuzes moeten maken. In het verlengde van de opdracht om burgers mondig en geinformeerd te maken, betekent dat mijns inziens kiezen voor de zwakkeren, voor de minderheden. Ik kom daar later nog op terug.

Waar gaan we ons dan mee bezighouden?
Eindelijk kunnen informatieprofessionals zich helemaal richten op hun opdracht: burgers, professionals, studenten en wetenschappers voorzien van de op dat moment beste informatie.

Want is dat niet de opdracht die ieder van ons heeft gekregen?
De gemeente Maastricht wil dat haar burgers goed geïnformeerd zijn om zodoende actief mee te kunnen doen in een democratische samenleving.
Slecht geïnformeerde burgers leidt er toch toe dat burgers geen juiste keuzes meer kunnen maken en dan terugvallen op single issue partijen?
De bibliothecaris als versterkende factor in de democratische samenleving. De informatie die we verstrekken is waardevrij en transparant.
DSM, Philips, het ziekenhuis, het advocatenkantoor: huren zij de informatie dienstverlener niet in om ervoor te zorgen dat hun researchers, advocaten, chirurgen tijdig over de juiste informatie kunnen beschikken?
De informatieprofessional in bedrijven en organisaties als economische factor: wij verdienen minder én we kunnen het beter en sneller.
De middelbare school, het HBO en de universiteit geven informatieprofessionals de opdracht om ervoor te zorgen dat scholieren en docenten, studenten en wetenschappers steeds bijgespijkerd worden op het terrein van de informatievaardigheden?
Hier is de informatie dienstverlener vooral de gespecialiseerde leraar: vergelijk ons in dit geval met de sportleraar.

bubble
Die opdracht is essentieel voor ons beroep: als die opdracht er niet meer is dan kunnen we ons beroep opheffen. Maar die opdracht zal er ook in de voorzienbare toekomst toch wel blijven? Want hoe weinig mensen realiseren zich dat zij zich dagelijks in hun werk of studie, hun oriëntatie op een maatschappelijk probleem of zelfs bij het zoeken naar bellettrie of literatuur door hun favoriete zoekmachine laten beperken? Dat Google of Bing maar een klein deel van de werkelijkheid toont? En dat de volgorde waarin die resultaten getoond worden voor hen ondoorzichtig is? Ik zal het niet “gemanipuleerd” noemen, maar begrippen als “waardevrij” en “transparant” zijn bij de commerciele leveranciers van zoekresultaten onbekend of zelfs verboden.

Is dat ook niet waarom u dagelijks plezier in uw werk hebt? Een tevreden student, scholier, collega of burger? Die u bedankt omdat zij dankzij u nu net dat artikel heeft gevonden dat niet op die eerste twee pagina’s getoond werd? Heeft u niet –net als ik– veel meer plezier in dat incidentele compliment, dan in de bulk van uitleningen of artikel downloads?

Dit geldt mijns inziens voor alle type informatiedienstverleners:

Overeenkomst belangrijker dan verschillen

Veel collega’s menen dat de archivaris door een gapende cultuurkloof wordt gescheiden van de bibliothecaris in de openbare bibliotheek. Of dat een bedrijfsbibliothecaris een andere diersoort is dan de collega uit de UB. Sigmund Freud typeert dat als “het narcisme van het kleine verschil”. Het klassieke voorbeeld is het conflict tussen de twee zonen van Oedipus, die steeds meer op elkaar gaan lijken, totdat ze voor anderen nauwelijks meer zijn te onderscheiden. Zelf benadrukken ze daarentegen de minieme verschillen die er nog zijn. Uiteindelijk komen beiden om het leven, door in elkaars zwaard te vallen.”

Deze narcistische uitvergroting van het verschil met anderen is een teken van een samenleving in verval of in ons geval: een professie die zijn identiteit dreigt te verliezen of al is verloren.

Laten wij ons daarvoor hoeden en juist de kracht van de professie zoeken in de overeenkomsten en elkaar daar versterken. Laten we de lol in het werk vinden in onze gemeenschappelijke opdracht: mensen op het juiste moment voorzien van de dan relevante informatie. Daar zijn we sterk in, daar kunnen we heteconomisch onderscheid maken (denk aan de chirurg en de advocaat), het democratisch gehalte van de samenleving mee bevorderen (in de openbare bibliotheken) en de mensen informatievaardig maken of zelfs het studierendement verbeteren in school- en universiteitsbibliotheken.
Daar kunnen wij het verschil maken en daarop zullen we in de toekomst op worden afgerekend.

De situatie waarin we nu terecht zijn gekomen en zullen komen vraagt om informatieprofessionals: niet één maar velen! Mijn inschatting is dat het wegbezuinigen van informatieprofessionals zoals dat op dit moent gebeurt in de naaste toekomst wel eens tot hoge extra kosten kan leiden. Mijn voorspelling is dat Nederland over 5 jaar een tekort heeft aan mensen zoals u en ik: Informatieprofessionals die zich –en ik gebruik hier graag de amerikaanse term– opstellen als “steward in a digital context” ofwel zoals gidsen mensen net iets meer vertellen over een schilderij, een gebouw of een natuurmonument zo helpen wij mensen om net iets meer of belangrijker nog: beter geschikt te vinden op het internet. We maken mensen bewust van de lol van informatie overload. Ik hoor u denken : de lol van informatie overload? Wat bedoelt ie daar nu weer mee?

Onze generatie klaagt veel over het teveel aan informatie op het internet. Jongere generaties klagen daar niet over. Hoe komt dat? Mijns inziens omdat wij zijn opgevoed in een informatie schaarse samenleving en dat betekent dat je weloverwogen keuzes moet maken: want schaarste betekent een hoge prijs. Bovendien als je de informatie eenmaal had aangeschaft dan kon je niet makkelijk een alternatief verwerven. Weet u nog: van ons zakgeld spaarden we zodat we eens per maand een plaat of boek konden kopen. Tegenwoordig downloaden kids makkelijk een paar honderd songs en browsen daar met het grootste gemak doorheen. Ze vinden het leuk om keuzes te maken omdat ze –onderbewust– weten dat zo’n keuze maar kortstondige gevolgen heeft. Wij hechten erg aan de fysieke formaten (boeken, grammofoonplaten) en zij veel meer aan de inhoud: songs, clips.

Wij moeten dus leren om van moeten kiezen te komen tot mogen kiezen: het is fijn om te kiezen. En dat gebeurt, zoals ik altijd in de lessen informatievaardigheden beargumenteer door “kunnen” kiezen. Weten wat er te koop is, alternatieven kennen.

Impact

De openbare bibliotheek heeft mijns inziens als missie: burgers in aanraking brengen met informatie, niet zozeer om ze te brengen tot het lezen van literaire romans of gedichten, maar veeleer om mensen de mogelijkheid te bieden zich genuanceerd te laten informeren. In de bibliotheek en op de websites van de bibliotheken zetten wij mensen aan om met elkaar in gesprek te komen over issues die de maatschappij bezighouden. Dat betekent dat bibliotheekmedewerkers de straat op gaan om hun doelgroepen te bereiken, want traditioneel komen die niet zomaar binnen. De straat op om samen te werken met scholen, vooral gekleurde, buurthuizen en andere plekken waar zij in contact kunnen komen. Het is opmerkelijk om te zien dat kinderen tot hun 18e redelijk actief gebruikmaken van de bibliotheek: dit valt natuurlijk te verklaren uit het gratis lidmaatschap en de leerplicht. Na hun 18e haakt deze groep massaal af en slechts een bijzonder klein gedeelte komt op latere leeftijd terug in de bibliotheek. Je kunt je vervolgens afvragen of de terugkomers ook daadwerkelijk tot de doelgroep behoren van de openbare bibliotheek: oudere dames en heren die reisgidsen ophalen om hun cultuur uitstapje naar Rome of Istanbul te ondersteunen of eigenaren van (ras-)honden die een opvoedgids komen lenen. Versta me niet verkeerd: ik gun deze mensen hun plezier, begrijp ook nog wel dat ze in de openbare bibliotheek welkom zijn, maar ze vormen mijns inziens niet de primaire doelgroep.
Zoals de publieke omroep bevrijd dient te worden van het juk van de kijkcijfers, zou de overheid de openbare bibliotheek ook niet mogen afrekenen op de uitleen- of lidmaatschapscijfers, maar op haar –kwalitiatieve– impact op de lokale samenleving.

Het bovenstaande betekent in financiële termen dat we relatief veel geld zullen stoppen in de openbare bibliotheken om hun doelen te bereiken en dat er zeer zeker niet moet worden bezuinigd. Maar gelijktijdig dienen de openbare bibliotheken zich (her-)bezinnen op hun doelstellingen en daaruit voortvloeiende taken: de publiekstrekkers gewoon afstoten aan de boekwinkels, aandacht voor de minderheden.
De belastingbetaler moet vervolgens door de politiek ook niet om de tuin worden geleid: de openbare bibliotheek kost de Nederlandse burger niet veel meer dan een dubbeltje per dag. Ik baseer me hierbij o.a. op Jan Slagter (Max) bij Knevel en van de Brink op 13 augustus 2010 (http://www.youtube.com/watch?v=eR00xeSSLcY).

Moeten de openbare bibliotheken nu vrezen dat ze voor een kleine doelgroep, een niche publiek hun werk zullen doen? Ja dus! Maar… Gelukkig zijn er vele minderheden die aandacht nodig hebben: Friezen, moslims, homo’s, gereformeerden, vrouwen, milieu activisten en operaliefhebbers, zijn er Limburgers, boeddhisten, eenoudergezinnen, linkshandigen, roodharigen, uitkeringsgenieters, daklozen, AOWers, ZZP-ers, WAOers, gepensioneerden, Turken, Marokkanen, Surinamers: vrijwel iedere Nederlander hoort bij twee of meer minderheden, dus potentieel genoeg.

Meten is weten
Mijn kijk op de toekomst van ons werk betekent ook dat we op een andere manier aan onze opdrachtgevers moeten kunnen aantonen wat de meerwaarde is die we bieden.
Levert de Openbare Bibliotheek in stad, dorp of wijk daadwerkelijk een bijdrage aan de deelname van burgers aan het democratische proces? Levert de OB maatschappelijke impact? We claimen wel dat we een basisvoorziening zijn, maar zijn we dat ook?
Wordt er dankzij de informatie dienstverlener in bedrijven en organisaties daadwerkelijk effectiever en efficienter gewerkt? Levert de IP economische meerwaarde?
Is het studierendement op het HBO en in de universiteiten afhankelijk van de kwaliteit van de lessen informatievaardigheden? Resulteert een goede academische dienstverlening ook in betere wetenschappelijke artikelen en meer citaties?
Dan komen we op een gevaarlijk terrein en we moeten uitkijken dat we niet in een soort Publish-or-Perish val lopen waar de wetenschappelijke wereld momenteel in verkeert.

We moeten instrumenten ontwikkelen die niet alleen kwantitatief maar vooral kwalitatief onze impact meten. Ik heb daar geen antwoord op. Ik weet dat bijv. binnen de SIOB (Frank Huysmans artikel in IP van deze maand) hiervoor aandacht is.

We kunnen er niet meer van uitgaan dat ons vak als vanzelfsprekend wordt geaccepteerd: de OB is alleen een basisvoorziening als zij jaar op jaar kan bewijzen dat te zijn; de UB is niet langer de “asset” van de universiteit, maar eerder een liability, een last. En de informatiecentra in bedrijven en organisaties kennen al jaren het klappen van de bewijs-je-bestaansrecht-zweep.
Traditionele meetmethodes werken niet meer: we zullen nieuwe moeten ontwikkelen en vooral ook erkend moeten krijgen, opdat bedrijfsdirecties, colleges van bestuur en lokale of landelijke politici op basis van onze impact op hun “core business” onze werkzaamheden blijven erkennen en financieren.

Conclusie:
1. impact
2. steward in a digital context
3. we kennen onze gebruikers

In de virtuele bibliotheek loopt de informatie dienstverlener “weg met de gebruiker”

Posted in Uncategorized | Tagged , , , | Leave a comment

A Global Perspective on Open Access

Op initiatief van de Nederlandse Nationale UNESCO commissie kwamen op 20 januari in het Trippenhuis in Amsterdam een veertigtal deskundigen bijeen om zich te buigen over de problematiek die Open Access veroorzaakt voor wetenschappers in de minder ontwikkelde landen. Het klinkt tegenstrijdig, dat Open Access tot problemen zou kunnen leiden, want immers met OA worden wetenschappelijke artikelen wereldwijd en vrij toegankelijk gemaakt.

De sessies werden voorgezeten door Robbert Dijkgraaf (president van de KNAW) en Jos Engelen (directeur van NWO) en naast deskundigen uit Europa en Amerika waren er ook sprekers uit Ghana, Kameroen en Nepal. Het waren vooral deze laatsten die de vinger op de wond legden en benadrukten welk belang de minder ontwikkelde landen hechten aan open access, terwijl gelijktijdig de drempel voor hen hoog is om die artikelen dan ook daadwerkelijk te lezen.

Ik gebruik dit keer bewust de term “minder ontwikkelde landen” en niet de vaak gebruikte “global south” omdat de problematiek zich nu met name toespitst op die echt arme landen en veel minder of niet op bijvoorbeeld Brazilië, India en China die momenteel een sterke economische groei meemaken.

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat UNESCO zich wereldwijd opwerpt om dit onderwerp onder de aandacht van regeringen en andere besluitvormende organen te brengen, gebaseerd op artikel 27 van de universele verklaring van de rechten van de mens: “everybody has the right to […] share in scientific advancement and its benefits” en daarom heeft de Nationale Commissie dit opgenomen in haar vier prioriteiten voor de komende tien jaar.

In de minder bevoordeelde landen lopen wetenschappers tegen de volgende problemen aan:

Slechte internet toegang: Open Access is alleen mogelijk dankzij het feit dat alle artikelen via het internet beschikbaar komen. Helaas is –naast problemen met electriciteit– het internet nog lang niet altijd en voor iedereen beschikbaar. UNESCO zou zich moeten inzetten om de technologische infrastructuur over de hele wereld op een aanvaardbaar minimum niveau te brengen, zodat wetenschappelijk artikelen daadwerkelijk wereldwijd beschikbaar komen.
Wetenschappelijke erkenning van Open Access tijdschriften zodat deze zich kunnen meten met de concurrentie van tijdschriften die door ISI erkend worden met een impact factor.
Het business model dat vaak aan OA gekoppeld is, waarbij de auteur betaalt voor de publicatie. Hier worden de minder ontwikkelde landen dubbel benadeeld: enerzijds omdat er bij de wetenschappers en onderzoeksprojecten nu eenmaal heel weinig geld beschikbaar is en anderzijds omdat in de rijkere landen universiteiten middelen kunnen schuiven van hun bibliotheekbudget naar publicaties. In Ghana, Kameroen of Nepal kan men niet met dat geld schuiven omdat het er gewoon nooit is geweest.
De aanwezigen concludeerden dat de Nationale Commissie deze problematiek onder de aandacht van UNESCO in Parijs moet brengen en erop moet aandringen dat in internationale samenwerking wordt gewerkt aan het opheffen van deze drempels! De nationale commissie heeft deze aanbeveling overgenomen en ook de aanwezige vertegenwoordigers Carlos Morais-Pires van de Europese Commissie en Indrahit Banerjee, Director of the Information Society Division of UNESCO, steunden dit initiatief van harte.

Voor mij was deze dag een prachtig voorbeeld hoe Nederland het voortouw neemt om een probleem in de minder bedeelde wereld aan de orde te stellen: Nederland echt Open en In Verbinding! waar deze blog ook integraal is verschenen.

Posted in Uncategorized | Tagged , , | Leave a comment

Innovatie: hoe de technologie de toekomst van de bibliotheek bepaalt

Dames en heren,

Vakgenoten,

Vrienden

Welkom in Ede, welkom op het NVB jaarcongres 2010!

Wat ben ik blij u hier welkom te mogen heten. Een fantastische opkomst!

Het was spannend de afgelopen week. Op woensdag bereikten we de magische 1.000 en op dit moment staat de teller op ruim 1100 deelnemers aan ons congres. Een betere start had ik me als nieuwe voorzitter niet durven wensen. Dank dat u hier bent en geniet ervan!

Wij gaan vandaag een wervelend congres beleven onder het thema “Innovatie: hoe de technologie de toekomst van de bibliotheek bepaalt”. Een goed thema, dat niet meer stoeit met de vraag “of” technologie van invloed is op het vak, maar de vraag probeert te beantwoorden: hoe de technologie de bibliotheek BEPAALT.

We kijken zo weinig mogelijk terug: de blik is op de toekomst gericht want daar zal het gebeuren.

Dat technologie niet alleen ons vak bepaalt, maar vrijwel iedere gebeurtenis, zien we als we naar een congres als dit gaan. De voorzitter heet de aanwezigen welkom en na dertig seconden herinnert hij u er nog even aan om uw mobieltje uit te zetten. Hij houdt dan ook nog even het apparaat omhoog en er verschijnt een logo op de powerpoint.

Die oproep ga ik vandaag niet doen, ik draai het liever om. AAN die mobiele telefoons, netbooks, iPads en al die andere gadgets. Gebruik ze tijdens de plenaire en parallelle sessies om verslag te doen van onze bijeenkomst.

Er is volop en gratis wifi aanwezig! Twitter, facebook, hyve en ning over wat je meemaakt. Film en zet de boel op Blip of Youtube! Gebruik de hashcode #NVB10 zodat ook mensen die niet naar dit congres konden komen ons kunnen volgen. Wij volgen dat allemaal op de Visible Tweets.

Op het jaarcongres van de NVB kijken we vooruit naar de ontwikkelingen in het vak. Maar ik wil even terug kijken op een aantal roerige jaren die we als vereniging achter de rug hebben. De meesten van u herinneren zich dat in 2008 een bestuurscrisis uitbrak die werd veroorzaakt door de financiële problemen binnen onze vereniging. Maakt u zich geen zorgen, ik ga dat niet allemaal oprakelen!

Nu, bijna twee jaar verder staat de vereniging er financieel weer goed voor. Niet dat alle problemen zijn opgelost, maar we hebben ze in kaart en er is een stevig plan voor verder herstel.

Dat we dit punt hebben kunnen bereiken danken we allereerst aan u: de leden. Want ondanks de sombere berichten uit het bureau bleef u massaal lid. Dank daarvoor.

Maar dank past ook de vele mensen die zich als vrijwilliger hebben ingezet om het zinkende schip weer vlot te trekken, op koers te brengen en de vaart erin te krijgen. Als ik alleen al naar het afgelopen jaar kijk en zie hoeveel werk er is verricht, dan kan ik alleen maar bewondering hebben. Ik denk aan bestuursleden en anderen die weken en maanden hebben meegeholpen om de administraties weer recht te trekken.

Maar ook aan alle mensen die hebben geholpen om het bureau weer terug te brengen in Utrecht: we zitten nu op een steenworp afstand van het Centraal Station: ideaal!

Het bureau biedt niet alleen voldoende plaats voor vrijwilligers en medewerkers, maar er is ook een vergaderzaal (met wifi, beamer en andere voorzieningen) die u kunt gebruiken om vergaderingen, workshops of cursussen te houden. We verhuren de zaal tegen een aantrekkelijk, dus laag tarief. We zien u graag op het bureau en hopen dat Mariaplaats 3 in Utrecht een bruisend middelpunt voor informatieprofessionals wordt.

Met de zekerheid dat ik mensen vergeet, dank ik toch een aantal mensen met naam en toenaam:

Wilma van den Brink, Peter Evers, Peter de Jong, Dieuwke Brand, Jolieke Schroot, Marianne Harmsen, Froukje Hendriks, Irma Bakhuisen en Frank Hendriks.

Uiteraard vergeet ik ook onze ad interim voorzitter Bart van der Meij en onze directeur Jan van den Burg niet. In hen en met uw applaus dank ik ALLE medewerkers van het bureau en ALLE vrijwilligers.

Overigens kunnen we nog steeds vrijwilligers gebruiken!

En dan toch nog een paar woorden over de vereniging: zoals ik al aangaf gaat het goed, maar ik wil dat het beter gaat! Daar werken we op het bureau aan, maar daar kunt ook u een aandeel in hebben. Hoewel velen van u lid zijn van de NVB weet ik dat er in de zaal ook enkele honderden (nog) niet leden zitten. Maak u geen zorgen: die zijn hier niet illegaal hoor.

Waarom lid worden van de NVB als er zoveel alternatieven bestaan?

Want wie is er nu eigenlijk geen lid van Nedbib-l, Bbiliotheek2.0-ning, Facebook of Twitter?

We bezoeken toch allemaal met een zekere regelmaat een bijeenkomst van een regionaal informatienetwerk in Groningen, Amsterdam, het zuiden of midden van ons land?

We nemen toch deel aan congressen als DB-update, KIP2010, IP lezing, de bibliotheek tweedaagse of U Game U Learn?

Dat zijn toch ook allemaal netwerken waar we met elkaar informatie delen, ideeën uitwisselen, inspiratie opdoen? Wat is de toegevoegde waarde van de NVB?

Gartner spreekt in “Watchlist: Continuing Changes in the Nature of Work”1 over “swarms” (zwermen): netwerken en netwerkjes waar mensen kortere tijd lid van zijn om in een behoefte te voldoen. Mensen zijn lid van verschillende van deze zwermen en wisselen steeds al naar gelang hun behoefte aan specifieke informatie of relaties. Een zwerm heeft vaak ook geen centraal punt, geen specifieke leiding.

Zwermen ontstaan en ontbinden zich. De NVB wil het platform zijn waar onze zwermen zich kunnen vormen, hun al dan niet tijdelijke huisvesting hebben en zich verder kunnen ontwikkelen. Daarom wil de NVB zich in de komende tijd actief aansluiten bij meer van deze initiatieven en zwermen.

De NVB heeft momenteel zo’n 3000 leden. Da’s niet slecht voor een beroepsvereniging, maar mijns inziens moet het mogelijk zijn om in de komende jaren het aantal te brengen op 5000! Ik wil daarom iedereen oproepen die nog geen lid is om dat alsnog te worden en leden oproepen om eens bij uw vrienden en collega’s te raden te gaan of die al lid zijn.

We zullen u de komende tijd nader informeren over onze ledenwerfacties.

Een grote en gezonde vereniging da’s wat we willen zijn.

Want in 2012 bestaat de vereniging 100 jaar en dat willen we uiteraard groots vieren. Daarbij hoort, buiten allerlei andere zaken ook een goede website. Samen met het bureau is de website de ontmoetingsplek voor alle informatieprofessionals in Nederland. Die website moet nodig vernieuwd worden. In de afgelopen weken was de belangrijkste vraag die me gesteld werd: wanneer wordt er eens iets aan die website gedaan?

Dat er nog niets is gebeurd heeft alles te maken met onze financiële situatie. Maar ik kan melden dat een werkgroep druk is geweest om vast te stellen wat er met de site moet gebeuren, we hebben offertes gevraagd, ontvangen en beoordeeld en we hopen voor eind november met de vernieuwing te starten!

Eén van de mensen die mij altijd heeft geïnspireerd, is de Belg Paul Otlet: zijn doel was om alle informatie in de wereld te organiseren. Hij deed dat door deze informatie te beschrijven en op te slaan: in 1895 startte hij de wereld-catalogus waar naar schatting zo’n 12 tot 17 miljoen lemma in waren opgeslagen die vrijwel alle wetenschapsgebieden bestreken.

Het ging hem niet alleen om boeken, tijdschriften, kranten of persoonlijke notities, maar ook om objecten als tekeningen, kaarten, affiches, maquettes en kunstvoorwerpen.

Otlet richtte zich vooral op inhoudsanalyse en classificatie. Tegenwoordig spreken we dan van indexeren, information storage and retrieval, informatiearchitectuur en contentmanagement.

Dit gigantische project wordt ook wel getypeerd als het “papieren internet”. Ik beschouw het als voorloper van bijvoorbeeld Worldcat en zelfs Google.

Otlet bedacht ook een ingewikkeld mechanisch systeem waarmee gebruikers de databank op afstand zouden kunnen raadplegen en waarmee zij verwante onderwerpen met elkaar konden verbinden. Daarmee was het concept van een zoekmachine en van hyperlinks geboren. Alleen de technologie ontbrak nog.

Melvil Dewey introduceerde in Amerika een standaard cataloguskaart. Otlet zorgde ervoor dat deze ook de standaard werd in Europese bibliotheken. Cataloguskaarten vind je bijna nergens meer, maar het belang van standaardisatie in bibliotheken en informatievoorziening wordt algemeen erkend.

Otlet nam niet alleen Dewey’s cataloguskaarten over maar ook Dewey’s Decimale Classificatie, die hij bewerkte tot een meer gedetailleerde universele classificatie, de UDC.

Otlet bechreef in 1934 al een fenomeen dat we nu het internet zouden noemen en gaf aan hoe de technologie ons vak zou gaan bepalen.

Dames en heren,

Nederland heeft een nieuwe regering die stevig wenst te bezuinigen op “linkse hobbies” waarvan be bibliotheek er één is. De eerste harde klappen vallen momenteel in het openbare bibliotheekwerk met uitschieters tot meer dan 50% bezuinigingen. Om personele kosten te besparen worden vestigingen gesloten.

Ook in de andere sectoren (de speciale bibliotheken, de hogeschool en wetenschappelijke bibliotheken en uiteindelijk ook de KB) zullen de klappen vallen: mensen vragen zich af welke toegevoegde waarde wij hen bieden.

En vooral ook: als we het nu nog kunnen begrijpen, wat betekent dit dan daadwerkelijk voor de toekomst?

Blijven bibliotheken, informatieprofessionals in brede zin en bibliothecarissen meer in het bijzonder van belang in de informatiesamenleving of kunnen we het zonder?

Hier staat een voorzitter die bereid is de deuren van de bibliotheek te sluiten en het vak op te heffen als er geen noodzaak meer voor zou bestaan.

Maar ons vak heeft een gezonde toekomst. Alleen het is wel een ander vak geworden!

Ons vak is ontstaan uit schaarste aan informatie. Boeken, tijdschriften, video en audio waren beperkt beschikbaar, de productiemiddelen in handen van een kleine groep. Er ontstonden monopolistische situaties, die de prijs van informatie opdreven. Door de gebruikte technologie waren boeken en andere materialen maar voor een beperkte tijd te koop. Ons vak bestond er daarom vooral uit om op tijd een selectie te maken van informatie en materiaal waarvan we konden vermoeden dat onze publieksgroepen daar in één of andere toekomst een beroep op zouden gaan doen. Collectievorming en ontsluiting vormden een belangrijke kern van ons vak.

En dat is nu helemaal anders.

Clay Shirky zegt daarover in zijn boek Cognitive Surplus dat uitgeven vroeger een kostbaar en risicovol proces was, omdat fouten leidden tot hoge onkosten.

Nu is uitgeven niet meer dan “a push of the button” en zijn derhalve ook de economische risico’s aanzienlijk verminderd.

Noemen we het vorige business model “just in case” (verzamelen voor het geval dat), nu en in de toekomst schakelen we over naar het “just in time” model. Immers: alle informatie wordt digitaal aangeboden en is daardoor in principe nooit meer uitverkocht. Vooraf collecties vormen lijkt daarom bijna een achterhaald principe.

Just in time betekent in ons vak dat we continue in contact moeten zijn met onze mogelijke “klanten” en dat wij ze moeten helpen om op het juiste moment de juiste vraag te stellen om zo de informatie te verkrijgen voor hun probleem!

Dat is dus een heel ander vak! Daar hoort bij dat we een leven lang leren: dus niet alleen dat we dat aan anderen promoten, maar vooral ook dat wij als informatieprofessionals zelf actief zijn en blijven leren. In het interview in de pre-conference krant gaf ik al aan dat je continue “nieuwsgierig” moet blijven, want die technologie blijft zich verder ontwikkelen en die nieuwsgierigheid houdt ons scherp. Nieuwsgierig zijn is een actieve bezigheid, vergt dat je erop uit gaat, onderneemt: dat is vermoeiend en het houdt nooit op!

Ook moeten we mensen leren dat het maken van de goede keuzes evident is voor het juiste gebruik van de informatie. Wat veel mensen nu ervaren als “information overload” kunnen wij omzetten in informatie welvaart: waar mensen nu het gevoel hebben te moeten kiezen, zouden wij dat om moeten zetten in het gevoel van mogen kiezen.

Mogen kiezen resulteert in een gevoel van welvaart. De welvaart die de jeugd ervaart in de manier waarop ze met informatie, amusement en technologie omgaan.

Hoewel Otlet en Google beiden hetzelfde doel nastreven: “De informatie in de hele wereld organiseren”, ligt het belangrijke verschil in de transparantie van het aanbieden van de resultaten. Voor Google is de page ranking het best bewaarde bedrijfsgeheim. De bibliotheek en de informatieprofessional worden gezien als een betrouwbaar merk met transparante doelen.

Dat is de kracht van ons vak en daar moeten we mijns inziens op voortbouwen!

We zitten ondertussen wel met het image van ons vak. Vorige week zag ik een interview met Keith Richard ter gelegenheid van de presentatie van zijn nieuwe boek “Life”.

Ik laat u dit fragment graag even zien.

Daar sta je dan! Blijkbaar denkt de gemiddelde burger nog steeds in deze termen over ons vak. Dat moet anders en ik ben dan ook heel blij dat er in de zaal 120 jonge aanstormende informatieprofessionals zitten: studenten van de verschillende opleidingen. Goed dat jullie er zijn en ik hoop dat jullie ons vandaag en in de toekomst willen helpen om ons vak verder uit te bouwen. Want de bibliotheek en ons vak zou mijns inziens veel beter uit zijn als dit ons image werkelijk was:

Of dat zo is kunnen we tijdens de lunch ontdekken tijdens het onderdeel UnConference, dat door de IDM studenten wordt verzorgd in Studio 2.

Het vak is een ander vak en we moeten de komende tijd gebruiken om elkaar vooral te vinden op de overeenkomsten die we als informatieprofessionals in de verschillende omgevingen met elkaar hebben, in plaats van te focussen op de verschillen. Dat past ook binnen het streven zoals dat bijvoorbeeld in het programma van de Gemeenschappelijke Informatie Infrastructuur is vastgelegd: muren slechten tussen sectoren om zo de burger, wetenschapper, professional en ieder ander op de juiste manier te bedienen. In de notitie van de Advies Commissie Beleid (van Lourense Das, Peter de Jong en Erwin Le Roy) wordt gesteld dat leden van de NVB meer inhoudelijk moeten samenwerken en van elkaar leren: verbinden op inhoud.

Wat óns bindt is de liefde om mensen te helpen op het juiste moment over de juiste informatie te kunnen beschikken. Daar wil ik in de vereniging vooral de nadruk op leggen.

Dank u!

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment

Interview tijdens NVB 2010

Tijdens het NVB congres 2010 werd ik geïnterviewd door Erik Boekesteijn en Freek Zonderland van DOK Delft.

Het interview duurt ca. zes minuten.

http://vimeo.com/moogaloop.swf?clip_id=17151369&server=vimeo.com&show_title=1&show_byline=1&show_portrait=1&color=00ADEF&fullscreen=1&autoplay=0&loop=0

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment